Categorie archief: Studiemateriaal

Recht om vergeten te worden – schuldsaldoverzekering.

Recent werd in de Wet van 4 april 2014 een recht om vergeten te worden ingevoerd voor ex-kankerpatiënten die een schuldsaldoverzekering wensen te sluiten.
Deze bepalingen zijn van toepassing op schuldsaldoverzekeringen gesloten vanaf 1 februari 2020 in het kader van een hypothecair of een beroepskrediet.

“Afdeling Ibis. – Recht om vergeten te worden.”.

Art. 61/1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op verzekeringsovereenkomsten die de terugbetaling van het kapitaal waarborgen :
a) van een hypothecair krediet zoals bedoeld in artikel 224;
b) van een beroepskrediet.”.
Art. 61/2. § 1. Personen die getroffen werden of worden door een kankeraandoening, ongeacht het type, en die een verzekering zoals bepaald in artikel 61/1 willen aangaan, moeten die aandoening melden aan hun verzekeraar overeenkomstig artikel 58.
Het is de verzekeringsonderneming echter verboden om bij het verstrijken van een termijn van tien jaar na het succesvol beëindigen van de behandeling en voor zover er geen herval plaatsvond binnen deze termijn, deze kankeraandoening in acht te nemen bij het bepalen van de huidige gezondheidstoestand, zoals vermeld in artikel 61.
Onder het succesvol beëindigen van de behandeling wordt begrepen de datum waarop de actieve behandeling van de kankeraandoening werd beëindigd, in afwezigheid van een nieuwe opstoot van kanker.
De verzekeringsonderneming mag deze kankeraandoening niet uitsluiten uit het verzekeringscontract of de verzekering weigeren omwille van deze kankeraandoening.
§ 2. De Koning kan de termijn, bedoeld in paragraaf 1 aanpassen, met name in functie van leeftijdscategorieën en/of het type van kankeraandoeningen.”.
enkel van toepassing op de schuldsaldoverzekering

 

10 j na succesvolle behandeling:

– geen rekening houden met ziekte om huidige gezondheidstoestand te bepalen

– overlijden tgv deze ziekte niet uitsluiten

– geen bijpremies aanrekenen.

 

 

 

De termijn van 10 jaar kan bij KB verkort worden voor bepaalde leeftijdscategorieën en/of bepaalde types kanker.

Art. 61/3. § 1. De Koning kan in een referentierooster een aantal types van kankeraandoeningen definiëren, waarvoor de termijn bedoeld in artikel 61/2, wordt verkort.
Het is de verzekeringsonderneming verboden om na deze verkorte termijn rekening te houden met deze aandoening bij het bepalen van de huidige gezondheidstoestand.
§ 2. De Koning kan eveneens in een referentierooster een aantal chronische ziektes definiëren waarvoor, desgevallend, gekoppeld aan de nadere regels :
1° de verzekeringsonderneming geen bijpremies mag aanrekenen, noch in een uitsluiting mag voorzien of de overeenkomst mag weigeren ten gevolge van deze aandoening;
2° de verzekeringsonderneming een bijpremie kan aanrekenen ten gevolge van deze aandoening, waarbij de Koning eveneens het niveau bepaalt waarop deze bijpremie medisch en verzekeringstechnisch verantwoord is.
§ 3. De Koning kan, op voorstel van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg en na advies van het Opvolgingsbureau voor de tarifering bedoeld in artikel 217, het referentierooster aanpassen met bepaalde types van kankeraandoeningen, waarbij hij desgevallend de nadere regels bepaalt volgens dewelke de termijnen bedoeld in artikel 61/2, kunnen worden verkort.
§ 4. De Koning kan, op voorstel van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg en na advies van het Opvolgingsbureau voor de tarifering bedoeld in artikel 217, het referentierooster eveneens aanpassen voor bepaalde chronische aandoeningen, en kan bepalen na welke termijnen en volgens welke nadere regels :
1° de verzekeringsonderneming geen bijpremies mag aanrekenen, noch in een uitsluiting mag voorzien of de overeenkomst mag weigeren ten gevolge van deze aandoening;
2° de verzekeringsonderneming een bijpremie kan aanrekenen ten gevolge van deze aandoening waarbij de Koning eveneens het niveau bepaalt waarop deze bijpremie medisch en verzekeringstechnisch verantwoord is.
§ 5. De nadere regels, de termijnen en het niveau van de bijpremie, als bedoeld in de paragrafen 1 tot 4, moeten medisch en verzekeringstechnisch objectief en redelijk verantwoord zijn op basis van wetenschappelijke gegevens.
§ 6. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg evalueert het referentierooster tweejaarlijks in functie van de medische vooruitgang en de beschikbare wetenschappelijke gegevens inzake de aandoeningen, bedoeld in de artikelen 61/2, § 1, en in paragraaf 2 van dit artikel. Het deelt zijn voorstel van aanpassing van het referentierooster mee aan het Opvolgingsbureau voor de tarifering, bedoeld in artikel 217. Dit laatste zendt het voorstel, vergezeld van zijn advies, door aan de minister bevoegd voor verzekeringen, evenals aan de minister bevoegd voor Sociale Zaken. De Koning kan, in voorkomend geval, het referentierooster aanpassen.”.
Bij KB in een referentierooster:

–  een aantal types van kanker definiëren waarvoor een kortere periode geldt;

 

– aantal chronische ziekten waarvoor geen bijpremies, geen uitsluiting mag worden voorzien.

 

 

 

Aanpassing van het referentierooster op voorstel van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg en na advies van het Opvolgingsbureau voor de tarifering.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2- jaarlijkse evaluatie van het referentierooster door het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg in functie van de medische vooruitgang.

Art. 61/4. Onverminderd de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken, worden de geschillen met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van deze afdeling door de meest gerede partij eerst voorgelegd aan het Opvolgingsbureau voor de tarifering bedoeld in artikel 217. Het Opvolgingsbureau voor de tarifering geeft zijn advies binnen vijftien werkdagen vanaf de ontvangst van het volledige dossier. Op eenvoudig verzoek van het Bureau, zendt de verzekeringsonderneming haar dossier door. Geschillen ivm de toepassing van deze bepalingen worden voorgelegd aan Opvolgingsbureau voor de tarifering.
Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de tiende maand na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en is van toepassing op nieuwe overeenkomsten gesloten vanaf deze datum.
Elk uitvoeringsbesluit treedt in werking op de eerste dag van de tiende maand na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en is van toepassing op nieuwe overeenkomsten gesloten vanaf deze datum.
In werking op 1 februari 2020 voor alle nieuwe verzekeringen.

 

deel 3 Zelfdoding en ongevallenverzekeringen

 Deel 3 zelfdoding, euthanasie en verzekeringen

 

Ben wou graag een kapitaal overlijden verzekeren dat aan zijn moeder uitgekeerd moest worden bij zijn overlijden. In het vorige deel werd de problematiek van de overlijdensverzekering behandeld. In dit deel wordt de impact van een (poging) tot zelfdoding en euthanasie op ongevallenverzekeringen behandeld.

Persoonlijke ongevallenverzekering

Begrip ongevallenverzekering

Een ongevallenverzekering is een verzekering waarbij de verzekeraar, tegen de betaling van een premie, zich ertoe verbindt de overeengekomen bedragen te betalen wanneer de verzekerde als gevolg van een ongeval wordt aangetast in zijn fysieke integriteit, hij een letsel oploopt of overlijdt ten gevolge van het ongeval.

De waarborgen van een persoonlijke ongevallenverzekering kunnen zijn:

  • Vergoeding van de medische kosten tot een bedrag vermeld in de polis.
  • Uitkering van een kapitaal in geval van een blijvende invaliditeit. Naar evenredigheid met het percentage van de blijvende invaliditeit wordt een percentage van het verzekerde kapitaal uitbetaald.
  • Uitkering van een kapitaal bij overlijden ten gevolge van het ongeval.
  • Uitkering van een dagvergoeding in geval van arbeidsongeschiktheid.

Begrip ongeval

Het begrip kan verschillen van verzekeraar tot verzekeraar.

Een ongeval wordt meestal omschreven als een ‘plotse gebeurtenis of een plotselinge abnormale en onvrijwillige gebeurtenis met een uitwendige oorzaak buiten de wil van de verzekerde’.

Euthanasie

Euthanasie kan niet als een ongeval beschouwd worden aangezien het gaat om een opzettelijke levensbeëindiging op verzoek van de verzekerde afhankelijk va de wil van de verzekerde. De ongevallenverzekeraar zal zijn waarborg niet verlenen bij overlijden ten gevolge van euthanasie.

Wat indien het slachtoffer euthanasie laat uitvoeren wegens ondraaglijk en uitzichtloos lijden na een verzekerd ongeval?

Indien dit overlijden plaatsvindt binnen de termijn vermeld in de voorwaarden van de polis, zal de verzekeraar wellicht moeten uitkeren aangezien hij niet weet dat het gaat om een overlijden door euthanasie. Niet iedereen deelt dit standpunt!

Zelfdoding

Een poging tot en zelfdoding wordt in alle ongevallenverzekeringen uitgesloten. De bewijslast rust bij de verzekeraar, hij moet dus aantonen dat het gaat om een (poging) tot zelfdoding.

 

Arbeidsongevallenverzekering

In de arbeidsongevallenwet is voorzien dat de verzekeraar zijn dekking mag weigeren indien de werknemer het arbeidsongeval opzettelijk heeft veroorzaakt. De verzekeraar die zijn tussenkomst wil weigeren moet aantonen dat de gebeurtenis die aanleiding gaf tot het overlijden opzettelijk werd veroorzaakt door het slachtoffer.

Zelfdoding – arbeidsongeval

Een arbeidsongeval is ‘elk ongeval dat de werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt’.

Het slachtoffer, of zijn rechthebbenden in geval van overlijden, moeten bewijzen dat het effectief gaat om een arbeidsongeval. Dit betekent dat men moet bewijzen dat er een plotse gebeurtenis plaatsvond, tijdens het werk en dat deze gebeurtenis het letsel veroorzaakte. Om deze bewijslast eenvoudiger te maken, staan er twee vermoedens in de wet, namelijk ten eerste dat ‘het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst geacht wordt als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst’ en ten tweede dat ‘wanneer de getroffene of zijn rechthebbende naast het bestaan van een letsel ook een plotselinge gebeurtenis aantonen, men vermoedt dat het letsel is veroorzaakt door deze gebeurtenis’.

De vereiste dat het ongeval zich moet voordoen door het feit van de uitoefening van de overeenkomst, wordt zeer ruim opgevat. Het volstaat dat een omstandigheid in de beroepssfeer de gebeurtenis (de zelfmoord) met de uitvoering van de overeenkomst in verband brengt.[1] Zo kan een zelfdoding het gevolg zijn pesterijen, agressie of stresserende arbeidsomstandigheden.

Het ongeval (de zelfdoding) moet buiten de wil van het slachtoffer plaatvinden. In het kader van arbeidsongevallen aanvaarden de rechters dat er enkel sprake is van opzet, en er dus geen tussenkomst is vanwege de arbeidsongevallenverzekeraar, wanneer het slachtoffer vrij en bewust handelde. Zo oordeelde het arbeidshof van Antwerpen dat een griffier die zichzelf in brand stak na een woelige vergadering dat hij handelde in een plotse vlaag van waanzin die het gevolg was van stress op het werk en de verzekeraar zijn dekking moest verlenen. [2]

 

De arbeidsongevallenverzekeraar die zijn dekking wil weigeren, moet een wettelijke vermoeden weerleggen. Hij kan bijvoorbeeld aantonen dat het slachtoffer bewust handelde (opzet) of dat er geen band is tussen de zelfdoding en het werk.

 

Zelfdoding na een arbeidsongeval

Indien de nabestaanden een oorzakelijk verband aantonen tussen het voorafgaande arbeidsongeval en de zelfdoding, kan de zelfdoding een verzekerd overlijden zijn. De zelfmoord van een postbode gepleegd na verschillende keren het slachtoffer te zijn geweest van agressie tijdens zijn ronde en van een gewapende overval in het postkantoor werd door de rechters beschouwd als een arbeidsongeval. De rechtbank kwam tot de conclusie dat de zelfdoding het gevolg was van het opgelopen letsel (de depressie).

 

 

 

[1] S. REMOUCHAMPS, http://www.hrworld.be/hrworld/arbeidsongeval-en-zelfmoord.html?LangType=2067 (geraadpleegd op 22 april 2016).

[2] http://www.hln.be/hln/nl/957/Binnenland/article/detail/1214996/2011/01/29/Poging-tot-zelfmoord-wordt-arbeidsongeval-door-stress.dhtml (geraadpleegd op 22 april 2016).

Aansprakelijkheid van de ouders ….. en komt de verzekering tussen?

Wie is verzekerd in de polis BA-privéleven (familiale verzekering)?

De verzekeringnemer en de personen die bij hem inwonen zijn onder meer verzekerd. Inwonen betekent ‘feitelijk onder hetzelfde dak leven en ook deelnemen en geïntegreerd zijn in het familiaal leven van de verzekeringnemer’.
Kinderen die studeren en op kot ‘wonen’, blijven steeds verzekerd.

Hoe zit het in de situatie van (feitelijke) scheiding waarbij de kinderen beurtelings bij de ene en bij de andere ouder verblijven?
Wanneer de ouder waar het kind op dat ogenblik verblijft,  aansprakelijk is, zullen deze ouder en het minderjarig kind vanzelfsprekend verzekerd zijn in de familiale van deze ouder.
Indien de ouder echter aansprakelijk is voor de schade die zijn kind veroorzaakt wanneer het bij de andere ouder verblijft, moet je de polis nalezen.
De verzekeraar kan als voorwaarde voor de dekking eisen dat het kind onderhouden wordt, en wat ‘onderhouden’ betekent wordt niet door iedereen op dezelfde manier geïnterpreteerd. Vraag uitleg aan de je verzekeraar of je tussenpersoon bij twijfel!

De ouders van Pieter zullen dus zeker hun polis moeten nakijken!

Belangrijke opmerking: de verzekeraar zal een vrijstelling aanrekenen van ongeveer €250 indien hij materiële schade moet vergoeden. Een vrijstelling is een stukje van de schade dat de verzekerde zelf zal moeten betalen.

Is opzettelijk veroorzaakte schade gedekt?

Principieel niet, maar …
De meerderheid van de verzekeraars komen tussen voor opzettelijk veroorzaakt schade zolang de schadeveroorzaker geen 16 jaar is. Deze leeftijdsgrens kan echter ook liggen rond 7 à 8 jaar. Dit doet zich voor wanneer in de polis geen leeftijdsgrens staat vermeld!

De jongen van 8 die zich schuldig maakte aan grafschennis, zal dus bijna altijd verzekerd zijn.

stenengooiers

De aansprakelijkheid van de jonge stenengooiers die een man doodden, zal een ander verhaal worden aangezien de 2 vandalen respectievelijk 16 en 17 jaar waren.

In dergelijke omstandigheden blijft de aansprakelijkheid van de ouders wel gedekt, tenzij de verzekeraar het vermoeden van aansprakelijkheid van de ouders kan weerleggen.

De jongeren zelf zullen, wanneer ze meerderjarig zijn, mogelijk wel geconfronteerd worden met de financiële gevolgen van hun daden.

Verhaalsrecht

De verzekeraar zal zodra de jongere meerderjarig wordt, de uitbetaalde schadevergoedingen mogen verhalen op de jongere! Het maximum dat de verzekeraar kan verhalen bedraagt €31 000. Pijnlijk als je 18 wordt!

Opmerking: dit verhaalsrecht kan alleen uitgeoefend worden in geval van opzettelijk veroorzaakt schade. Wanneer de jongeren dronken of onder invloed van medicijnen of drugs schade veroorzaakt, is er geen verhaalsrecht.
Deze gevallen van ‘grove schuld’ worden door de verzekeraars over het algemeen vergoed zolang de dader minder dan 18 jaar is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Weerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid van de ouders.

 

202

 

Weerlegbaar vermoeden van aansprakelijkheid
Een belangrijke opmerking vooraf: de rechtspraak en de rechtsleer is het vaak niet eens over  de manier waarop het tegenbewijs geleverd moet worden. Je kan zelden met 100% zekerheid vooraf weten hoe de rechter zal oordelen!

Laten we even terugkeren naar de vandalen en naar Louise.
Het ging om minderjarige kinderen die schade veroorzaakten aan derden en een onrechtmatige daad hebben begaan. De ouders werden vermoed aansprakelijk te zijn.

Wat betekent dit ‘vermoeden van aansprakelijkheid’?
Heel eenvoudig: het slachtoffer moet geen fout aantonen in hoofde van de ouders om van hen vergoeding te eisen, een (objectief) onrechtmatige daad van het minderjarig kind volstaat.

Het vermoeden is gelukkig ‘weerlegbaar’.
Dit wil zeggen dat de ouders kunnen ontsnappen aan hun aansprakelijkheid indien ze kunnen aantonen dat zij hun kind goed hebben opgevoed en voldoende toezicht hebben uitgeoefend op hun kind.

Voldoende toezicht
Het element toezicht is steeds concreet voor te stellen: het gaat over het toezicht op het ogenblik van de schadeverwekkende gedraging. De leeftijd van het kind is zeer belangrijk om te oordelen of er voldoende toezicht was, maar ook het sociale milieu, de concrete omstandigheden, … spelen een rol. Hoe ouder het kind, hoe minder toezicht er uitgeoefend moet worden, tenzij het bijvoorbeeld om een probleemjongere gaat.

In de situatie waar het kind geen permanent toezicht hoeft, bijvoorbeeld wanneer het kind slaapt, moet het toezicht op redelijke wijze uitgeoefend worden. Er wordt niet verwacht dat je als ouder postvat naast het bed van je kind, of om de … tijd gaat kijken.

Indien het kind onder toezicht staat van een derde, hebben de ouders geen toezichtsverplichting meer wanneer de vervangende toezichthouder iemand is die toezicht kan houden. Wanneer het kind op school, in de sportclub…is, is het dus zeer eenvoudig voor de ouders om aantonen dat hun toezicht voldoende was. Een kind van 4 jaar toevertrouwen aan zijn broer van 6, is niet OK. Het toezicht is niet overgedragen aan een persoon die toezicht kan uitoefenen.

Wanneer ouders gescheiden leven, wordt het toezicht uitgeoefend door de ouder bij wie het kind op dat ogenblik is.

In de casus van de vandalen die grafzerken vernielen, zullen de ouders wellicht niet het tegenbewijs kunnen leveren van voldoende toezicht. In de situatie van Louise is de kans zeer reëel dat het tegenbewijs wordt aanvaard.

 

Goede opvoeding
Het element opvoeding is complex. Vaak is men in de rechtspraak streng voor de ouders.

Enkele voorbeelden
– Het kopen van een sportwagen voor hun 17-jarige zoon waarmee deze voorlopig niet mocht rijden, maar het toch deed en hierdoor een ongeval veroorzaakte, wordt als een fout in de opvoeding beschouwd
– Zo oordeelde de rechter: ‘Ofschoon de plicht van toezicht van de ouders van een 15-jarig kind zich niet meer uitstrekt tot een constante controle van zijn daden, toont het feit dat dit kind een motor – die bij een buur was verstopt – buiten hun medeweten heeft kunnen kopen en gebruiken, aan dat zijn ouders zich nog nauwelijks hebben beziggehouden met zijn vrijetijdsbesteding en te kort zijn geschoten in hun taak hem de regels bij te brengen die nodig zijn voor het bezitten van een dergelijk tuig. Dat wijst op zijn minst op een gebrek aan dialoog en wederzijds vertrouwen, wat geen geslaagde opvoeding uitdrukt’.
Ouders die zeggen ‘ik wil niet dat je omgaat met die jongen’, of ‘dat mag echt niet’,… en hun minderjarig kind laten begaan, leveren niet het vereiste tegenbewijs. Waarschuwen alleen volstaat niet!

Een ouder die niet omkijkt naar haar kind, kan moeilijk aantonen dat zij/hij het kind goed heeft opgevoed! Indien daarentegen een ouder het kind maar enkele dagen per maand ziet, gaat de rechter wel eens akkoord met de bewering van de ouder ‘ik krijg geen kans om bij te dragen in de opvoeding van het kind’.

Wat de ouders betreft van de vandalen, lijkt me geen tegenbewijs mogelijk van goede opvoeding, de ouders van Louise maken daarentegen veel kans.

Als slot nog een situatie die zich onlangs voordeed. Een vader helpt de jeugdbeweging tijdens een fuif, hij staat achter de toog. De instructies van de leiding waren duidelijk, zo mochten ze geen alcohol schenken aan de jongeren onder de 16 jaar. Om vergissingen te vermijden droegen deze een rode armband. Een vader voorziet zijn dochter van 15 jaar rijkelijk van (niet alcoholvrij) bier. Wanneer de dochter, intussen dronken, naar fietst en een verkeersongeval veroorzaakt, zal de vader zeker geen tegenbewijs kunnen leveren van een goede opvoeding.

 

Conclusie
De ouders kunnen proberen een dubbel tegenbewijs te leveren en hierdoor zich bevrijden van hun aansprakelijkheid.

 

Wordt vervolgd…
In het volgend bericht behandel ik
– de situatie waarin de schade opzettelijk wordt veroorzaakt door de minderjarige
– de situatie waarin het kind meerderjarig is en nog inwoont bij zijn ouder(s).

Het laatste bericht zal gaan over de tussenkomst van de verzekeraars in de verschillende casussen.

Aansprakelijkheid van de ouders. Louise, 12 jaar, laat de tablet van haar vriendinnetje vallen.

meisje met tablet

© Image courtesy of stockimages at FreeDigitalPhotos
Aan welke voorwaarden moet worden voldaan opdat de ouders vermoed worden aansprakelijk te zijn?
Een minderjarig kind veroorzaakt schade aan derden.
Het kind begaat een onrechtmatige daad Lees verder Aansprakelijkheid van de ouders. Louise, 12 jaar, laat de tablet van haar vriendinnetje vallen.

Aansprakelijkheid van de ouders. Reactie van Pieter (14j): “ik heb 2 mama’s en 2 papa’s”!

Artikel 1384,2 BW: De vader en de moeder zijn aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen.
Dit vermoeden van aansprakelijkheid wordt later besproken.

Wie is ‘vader, wie is ‘moeder’? Ten tijde van Napoleon (waar de oorsprong van dit artikel ligt) was dat duidelijk. De moeder was zij die het kind baarde, en de vader de echtgenoot op voorwaarde dat ze gehuwd waren. Dit vermoeden van vaderschap is nu nog steeds van toepassing (Meer over het bewijs van ouderschap vind je op www.mensenrecht.be/node/533). Aan meeouders, huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht,… dacht men helemaal niet. Art. 1384,1 BW is intussen niet aangepast! De rechtspraak en de rechtsleer zoekt creatief naar oplossingen, met als gevolg dat niet iedereen er altijd hetzelfde over denkt. Hieronder volgt een bespreking van verschillende vormen van ouderschap.

Begrip ouders
De begrippen ‘vader’ en ‘moeder’ kunnen meerdere betekenissen hebben.
Ofwel verwijzen ze naar het bestaan van een afstammingsband, ofwel duiden ze de personen aan die titularis zijn van het ouderlijke gezag of de personen die daadwerkelijk ook dat gezag uitoefenen. Het ouderlijk gezag wordt in de rechtspraak gebaseerd op de afstamming, ongeacht de wijze waarop deze is gevestigd (door afstamming of door adoptie). De afstamming geeft weer welke de bloedband is van iemand met zijn voorouders.
Er moet een onderscheid gemaakt worden  tussen biologische afstamming en artificiële (kunstmatige) afstamming. De kunstmatige afstamming wordt nergens geregeld, de afstamming wordt bewezen volgens de regels van het gemeen recht.
Voor gehuwden geldt het wettelijk vermoeden van vaderschap. Indien het koppel niet gehuwd is, zal de vader het kind kunnen erkennen. Voor de gevolgen van de afstamming kunnen de regels van de biologische afstamming wel in de mate van het mogelijke naar analogie worden toegepast.
bron: BENOIT, G. (ed.), De aansprakelijkheid van ouders en onderwijzers, Brugge, Die Keure 2007.

Volgende personen zijn dus geen vader of moeder in de zin van de wet: de zorgouder, de meeouder en de stiefouder.

Adoptieouders
Het vermoeden van aansprakelijkheid rust uitsluitend op de adoptieouders en niet meer op de wettelijke ouders. De afstammingsband met de adoptieouders ligt op dat ogenblik al vast. Door adoptie komt er immers een einde aan het ouderlijk gezag van de oorspronkelijke ouders en dit retroactief tot op het ogenblik waarop het verzoekschrift tot adoptie werd neergelegd. Dit heeft tot gevolg dat adoptieouders aansprakelijk kunnen worden gesteld zelfs indien de adoptie nog maar pas tot stand kwam. Een adoptieouder kan aldus aansprakelijk gesteld worden op grond van art. 1384,2 BW zelfs indien hij niet persoonlijk heeft ingestaan voor de opvoeding van het geadopteerde kind. Hij kan dan wel eenvoudig het tegenbewijs leveren van een fout in de opvoeding.

Indien een kind geadopteerd wordt door 2 vrouwen (of 2 mannen), dan worden beide als ouder beschouwd.

Meeouders
Indien een kind wordt geadopteerd door bijvoorbeeld 2 vrouwen, dan worden ze beschouwd als de personen die titularis zijn van het ouderlijk gezag, dus als ‘vader’ en ‘moeder’. Een ongehuwde moeder die samenwoont met haar vriendin is zelf duidelijk moeder. De vriendin moet het kind adopteren om ook als ouder beschouwd te worden, erkenning van het kind kan in deze situatie niet.

Ouders ontzet uit de ouderlijke macht
In de rechtsleer is men verdeeld over de vraag of op deze ouders nog steeds het vermoeden van aansprakelijkheid rust. De mogelijke standpunten zijn:
– De afstammingsband blijft bestaan zodat de ouders de hoedanigheid van ‘vader’ en ‘moeder’ behouden. Het feit dat de ouders het ouderlijk gezag niet kunnen uitoefenen, verandert niets aan het vermoeden van aansprakelijkheid dat op de ouders rust. Dit is ook de visie van het Hof van Cassatie.
– Er is geen vermoeden van aansprakelijkheid meer.
– De gevolgen van een gebrek aan opvoeding en toezicht strekken zich uit in de tijd zodat de ouders aansprakelijk blijven op grond van hun gebrekkige opvoeding en toezicht zolang hun kinderen minderjarig zijn.
– Tim Wuyts verdedigt nog een ander standpunt: Op ouders die niet meer bevoegd zijn om hun kind op te voeden of er toezicht op te houden, rust geen vermoeden van aansprakelijkheid meer. Dit belet niet dat zij toch nog aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een onrechtmatige daad gepleegd door hun minderjarig kind, indien het slachtoffer een fout (bv in de voorbije opvoeding) die een causaal verband vertoont met de aangerichte schade in hoofde van de ontzette ouders kan aantonen.

Wat i.g.v. (feitelijke) scheiding?
Het feit dat de ouders niet meer samenleven, verandert niets aan hun aansprakelijkheid. Het echtpaar blijft vader en moeder en zij oefenen in principe samen het ouderlijk gezag uit. Zelfs indien een minderjarige op bevel van de jeugdrechter geplaatst is, blijft het vermoeden bestaan. Het gebrek aan samenleving is wel belangrijk bij het beoordelen van de factor voldoende toezicht, wanneer de minderjarige het schadeverwekkend feit pleegde op het ogenblik dat hij bij zijn andere ouder of een derde verbleef.

Voorbeeld: Een kind van 7 jaar is op bezoek bij zijn moeder. De vader heeft het hoederecht over het kind. De moeder laat toe dat haar kind met zijn fiets op het voetpad voor de deur rijdt. Door het venster ziet zij het kind, tegen de afspraken in, aan de andere kant van de straat rijden. De moeder loopt naar buiten en roept het kind toe naar de andere kant te komen. Zij wacht niet om te kijken. Het kind steekt over en wordt aangereden door een vrouw, die hierbij ten val komt. Het rijgedrag van het kind doet volgens de rechter vermoeden, dat de vader het kind onvoldoende besef van gevaar en verantwoordelijkheidszin heeft bijgebracht en dat hij zijn kind niet heeft geleerd voldoende gehoorzaamheid aan de dag te leggen. Het tegenbewijs wordt onvoldoende geleverd. Ook een gebrek aan toezicht werd weerhouden in hoofde van de moeder (Rb. Kortrijk 3 april 2001, R.W. 2004-05, 189).

Situatie van Pieter
De nieuwe partner van zijn vader en zijn moeder zijn geen ouders waarop het vermoeden van aansprakelijkheid rust!

aansprakelijkheid van de ouders voor schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen – probleemstelling

“Jongste vandaal van kerkhof Waver is acht jaar oud”, GVA 18 september 2014  http://www.gva.be/cnt/dmf20140918_01275045/jongste-vandaal-van-kerkhof-waver-is-acht-jaar

Als ouder vragen we ons vaak af wat er gebeurt als onze kinderen, al dan niet opzettelijk, schade veroorzaken aan een ander. Wie gaat dat betalen? Betaalt mijn verzekeraar? Zijn er (financiële) gevolgen voor ons of voor ons kind?

Deze vragen zijn niet altijd gemakkelijk te beantwoorden, bovendien moeten we eerst een aantal elementen ontrafelen. Bijvoorbeeld: waar is deze aansprakelijkheid op gebaseerd, wie is ‘ouder’, tot welke leeftijd zijn de ouders aansprakelijk,  wat als het kind opzettelijk schade veroorzaakt, betaalt mijn verzekeraar BA-privéleven deze schade, ben ik gerust als de jongere meerderjarig is..?

Het antwoord op deze vragen zal ik in meerdere berichten proberen te formuleren. Aarzel niet om een reactie te posten, ook als je het niet eens bent! In mijn berichten zal ik vaak mijn visie geven op een vraag, wat geen garantie inhoudt dat de rechter(s) of verzekeraars mijn standpunt zullen delen!

Ann